Wetenschapsfilosofie
Heyy! Ik strugglede nogal met het samenvatten van het onderdeel onderwijsgeschiedenis in deze cursus. De stof was all-over-the-place, veel uit de hoorcolleges stond niet in de literatuur en het was allemaal een beetje overwhelming.
Dat deel van de samenvatting is daardoor incompleet en niet van super hoge kwaliteit. Ik heb daarom besloten die samenvatting los te publiceren. Lezen op eigen risico.
Uitspraken over de aard of structuur van de werkelijkheid noemen we ontologisch. Ontologie is de zijnsleer (“studie van dingen die bestaan”).
Uitspraken over wat kennis is en hoe kennis tot stand komt of wordt verkregen noemen we epistemologisch. Epistemologie is kennisleer (“studie van kennis”).
Paradigma’s
Een paradigma is een groep wetenschappers met gedeelde opvattingen over wat wetenschap is en hoe het bedreven moet worden. Hieronder worden drie benaderingen toegelicht.
Vroeger was er spraken van een methodestrijd tussen de paradigma’s. Tegenwoordig is de wetenschappelijke gemeenschap pragmatischer, en is het ook toegestaan om verschillende paradigma’s te combineren. We noemen dit mixed methods.
Emperisch-analytische benadering
De empirisch-analytische benandering komt voort uit de natuurwetenschappen. Herhaalbaarheid en controleerbaarheid staat centraal.
Kenmerken:
- Empirisch: gebaseerd op zintuigelijke waarnemingen.
- Analytisch: logisch opgebouwd uit goed-gedefineerde begrippen.
Herhaalbaarheid is belangrijk voor betrouwbaarheid en waardevrijheid. Als verschillende wetenschappers tot dezelfde conclusies komen is de kans dat persoonlijke waarden meespelen kleiner. We noemen dit subjectieve overeenstemming of intersubjectiviteit.
De favoriete methode van deze benadering is het experiment en de enquête.
Interpretatieve benadering
De interpretatieve benadering komt voort uit ontevredenheid met de natuurwetenschappelijke benadering, waarbij vaak het mechanisme achter gevonden verbanden onduidelijk blijft. In de interpretatieve benadering staat het begrijpen van de sociale werkelijkheid centraal.
Kenmerken:
- Empirisch: gebaseerd op waarnemingen, maar deze zijn breder dan puur zintuigelijk.
- Holistisch: er wordt gekeken naar een individu of groep als geheel.
De favoriete methode van deze benadering is het kwalitatieve interview of de focusgroep.
Kritisch-emancipatoire benadering
De kritisch-emancipatoire benadering komt voort uit de marxistische traditie en maatschappelijke betrokkenheid. De “bevrijding” (emancipatie) van sociale overheersing staat centraal.
Kenmerken:
- Maatschappij-kritisch: kritiek op onderdrukkende sociaal-maatschappelijke structuren.
- Wetenschapskritisch: standaardopvattingen van de wetenschap worden afgewezen.
De favoriete methode van deze bandering is handelings- of actieonderzoek. Dit is onderzoek waarbij onderzoekers en deelnemers samen een leerproces doormaken. Twee belangrijke kenmerken:
-
Empowerment: onderzoek streeft ernaar de deelnemers verder te helpen. Vaak dienen deelnemers ook als medeonderzoekers en helpen zij bij het schrijven van de paper of het werven van andere deelnemers.
-
Wederkerige adequaatheid: continu reflecteren en communiceren op het onderzoek door zowel onderzoekers als deelnemers.
| Benadering | Soort kennis | Type onderzoek | Perspectief onderzoeker | Waarden |
|---|---|---|---|---|
| Empirisch-analytisch | Nomothetisch: het formuleren van wetten die algemene regelmatigheden beschrijven | Kwantitatief | 3e persoon: alleen van buitenaf observeren, nooit participeren | Waardenvrij: persoonlijke waarden mogen geen rol spelen en het onderzoek niet kleuren |
| Intepretatief | Ideografisch: individuele/unieke casussen doorgronden | Kwalitatief | 1e persoon: onderzoeker moet de wereld vanuit het perspectief van de deelnemers zien | Waardenverheldering: duidelijk zijn over eigen persoonlijke waarden die mogelijk het onderzoek kunnen kleuren |
| Kritisch-emancipatoir | ??? | ??? | ??? | Waardengebonden: waarden maken expliciet een deel uit van het onderzoek; niet alleen kennis leveren, maar ook een bepaald doel nastreven |
Foundationalisme
Het foundationalisme is een visie van wetenschap die stelt dat kennis ‘securely established’ moet zijn op een ‘secure foundation’. Er zijn een aantal stromingen:
flowchart TB
F[Foundationalisme] --> E[Empirisme]
F --> R[Rationalisme]
E --> P[Positivisme]
P --> B[Behaviourisme]
P --> L[Logisch positivisme]
Volgens het empirisme (Locke) bestaat de ‘secure foundation’ waarop wetenschap gebouwd wordt uit menselijke ervaringen via zintuigelijke waarnemingen.
Volgens het rationalisme (Descartes) bestaat de ‘secure foundation’ uit alles dat niet rationeel betwijfelbaar is, omdat zintuigen je kunnen bedriegen.
Positivisme
Het positivisme (Comte) is een methode van wetenschap gebaseerd op het empirisme, waarbij kennis voortkomt uit uitsluitend directe observaties en redeneringen gebaseerd op observaties.
Het logisch positivisme (Wiener Kreis) is een stroming van het positivisme, die stelt dat alle claims die niet geverifieerd kunnen worden aan de hand van observaties onwetenschappelijke en betekenisloze onzin (ookwel metafysica genoemd) zijn. We noemen dit het verifieerbaarheidsprincipe of de toetsbaarheidseis.
Begrippen die vaak met positivisme verward worden
Een punt of onderscheid dat gemaakt wordt door een positivist is niet automatisch positivistisch! Een aantal veelvoorkomende misconcepties:
-
Context of discovery en context of justification: Dit onderscheid is geen kenmerkende eigenschap van positivisme; niet alle positivisten maken dit onderscheid, en non-positivisten maken het onderscheid ook.
-
Experimenten: Deze methode is geen kenmerkende eigenschap van positivisme; niet alle positivisten maken gebruik van experimenten, en non-positivisten voeren ook experimenteel onderzoek uit. Het doen van experimenteel onderzoek maakt een onderzoeker niet automatisch positivistisch.
-
Statistiek: Het gebruikmaken van statistiek is non-positivistisch, omdat het berust op het afleiden van effecten uit data die anders niet direct observeerbaar zouden zijn.
-
Realisme: Realisme is een stroming die stelt dat er een onzichtbare "ultieme realiteit" bestaat die de fysieke en sociale werkelijkheid bepaalt. Dit is non-positivistisch, omdat er geen direct contact is met deze "ultieme realiteit", en deze dus niet direct observeerbaar is. (De "ultieme realiteit" wordt soms ook "metafysische realiteit" genoemd en dat zegt genoeg.)
Falsificationisme
Het falsificationisme (Popper) is gerelateerd aan positivisme. Het stelt dat een goede theorie te weerleggen is aan de hand van tegenstrijdig bewijs. Het is zijn antwoord op het inductieprobleem (zie volgende sectie): wetenschap is volgens hem namelijk niet inductief; je toetst theorie niet ter bevestiging, maar om te pogen hem te verwerpen.
Voor het positivisme is falsifiseerbaarheid belangrijk omdat een niet-falsifiseerbare theorie niet toetsbaar is en daarmee de toetsbaarheidseis schendt.
Problemen met foundationalisme
Empirisme en rationalisme zijn goede concepten, maar kunnen geen ‘secure foundation’ voor kennis zijn. Dit komt door zes problemen met het foundationalisme:
-
Relativiteit van rede: wat onbetwijfelbaar en overduidelijk is hangt af van voorkennis, achtergrond, en intellectuele capaciteiten; wat overduidelijk is voor de één is totaal onduidelijk voor de ander.
-
Theorie-geladen perceptie: percepties zijn niet neutraal: wat we waarnemen hangt af van voorkennis en verwachtingen; om bepaalde dingen op te merken (“dat was een goede/slimme move”) is bepaalde voorkennis nodig.
-
Onderdeterminatie van theorie door feiten: een bepaalde dataset is onvoldoende om de theorie volledig vast te stellen (‘te determineren’); alternatieve theoriën bij dezelfde dataset zijn mogelijk.
-
Duhem-Quine these: als observaties of metingen niet overeenkomen met de hypothese of theorie, kan dat betekenen dat de theorie niet (volledig) klopt, maar het kan ook simpel een foute of onnauwkeurige meting zijn.
-
Inductieprobleem (Hume): er is geen manier om generaliseerbaarheid van observaties uit het verleden naar de toekomst te garanderen. Voorspellingen van toekomstige gebeurtenissen die je nog niet hebt kunnen observeren zijn zijn onzeker.
-
Sociaal karakter van wetenschap (Kuhn): wetenschap vindt niet in isolatie plaats, maar in een gemeenschap met gedeelde overtuigingen (aka paradigma). De gemeenschap bepaalt welk onderzoek wel of niet wordt uitgevoerd, en of resultaten geaccepteerd worden.
Post-positivisme
Postpositivisme is een vorm van non-foundationalisme: een stroming in de wetenschap die stelt dat ‘secure foundations’ waarop kennis kan worden gebouwd niet bestaan. Post-positivisme onderkent en accepteert dat mensen falen (“fallibilisme”)
Absolute waarheid & conjecturele kennis
Volgens de postpositivist bestaat er een “absolute waarheid”, waarnaar de wetenschap zoekt. We noemen dit het ‘regulatief ideaal’; ideaal, want de waarheid zal nooit door mensen ontdekt worden, omdat mensen biased, subjectief en irrationeel zijn. Het beste dat we kunnen doen is de waarheid benaderen, zoals een wiskundige limiet-functie.
We kunnen het woord “waarheid” vervangen met warranted assertibility; de waarheid is alles dat sterk genoeg onderbouwd is om naar te handelen.
We hebben geen “feiten”, we hebben warrants: het meest overtuigende bewijs op een bepaald moment in tijd. Deze warrants volgen uit “competent inquiry”: onderzoeksmethodes die op het moment beter zijn dan anderen (maar beter betekent niet “ideaal”).
Kennis wordt gezien als conjectureel: voorlopig, en gebaseerd op incompleet bewijs, namelijk de sterkste (maar imperfecte) warrant die op een moment beschikbaar is. Warrants kunnen worden “ingetrokken” als er later sterke bewijs aan het licht komt.
Wetenschap wordt gezien als ‘self-corrective’, omdat herhaald onderzoek uiteindelijk vanzelf aantoont welke warrants wel of niet kloppen, en foute warrants vervangt met sterker bewijs.
Waarom iets geloven als de warrant later weer ingetrokken kan worden?
We moeten handelen naar iets in het leven. Opties zijn willekeur, traditie, of kennis. Het zou irrationeel om niet te handelen naar de "beste" (aka meest ondersteunde) kennis die op een moment beschikbaar is. Perfecte kennis heb je niet, en zal je nooit hebben. Je kunt niet meer doen dan handelen naar je beste weten van het moment, ook als in de toekomst betere kennis beschikbaar zal zijn.
Gebrek aan autoritieve bronnen
Er zijn geen autoritieve bronnen binnen het postpositivisme. In plaats daarvan wordt elke knowledge claim hetzelfde behandeld: de warrant wordt geëvalueerd.
De voor/tegenstanders worden bekeken en afgewogen, en op basis daarvan wordt bepaald of de claim wel of niet aangenomen wordt. (Maar houdt er rekening mee dat dit later weer kan veranderen op basis van de sterkste warrants die dán beschikbaar zijn.)
Alleen het bewijs wordt geëvalueerd, niet de persoon die de claim maakt. Dit onderscheidt postpositivisme van andere stromingen zoals sociaal constructivisme en postmodernisme.
Relativisme
Relativisme stelt dat iedereen een “eigen waarheid” of “eigen realiteit” heeft, omdat ze andere afwegingen maken over warrants en daardoor andere claims geloven. Postpositivisme wordt soms verward met relativisme.
Echter, ondanks het feit dat postpositivisme stelt dat absolute waarheid onbereikbaar is, gaat het wel uit van één absolute waarheid, die benaderd wordt door (mogelijk foutieve) warrants. Tegenstrijdige claims kunnen niet allebei waar zijn, er kan er maar één overeenkomen met de absolute waarheid.
Het is ook belangrijk om onderscheid te maken tussen overtuigingen en waarheid. Een overtuiging is “alles waarnaar je bereid bent te handelen”. Met andere woorden: een overtuiging is iets dat je als waarheid accepteert. Maar “voor waar aannemen” betekent niet dat het ook automatisch waar is.
Objectiviteit tegenover waarheid
Objectiviteit is geen synoniem voor waarheid, ondanks het feit dat het vaak wel zo gebruikt wordt in literatuur. Waarheid is onbereikbaar; objectiviteit als tegenpool van “bias” of “subjectiviteit” is een label om bepaalde criteria van kwaliteit aan te duiden (aka competent inquiry).
Met andere woorden: objectiviteit is de beste, maar toch mogelijk foutieve, observatie die je op een moment kan doen; waarheid is hoe het ‘echt is’, maar is onbereikbaar omdat je deze alleen via mogelijk foutieve observaties of metingen kan benaderen.
Waarden in wetenschappelijk onderzoek
Volgens het positivisme moet onderzoek waardeneutraal of waardevrij zijn. Echter volgens sommigen is waardeneutraliteit in de wetenschap onmogelijk. Een aantal perspectieven:
Weerlegde argumenten tegen waardeneutraliteit
- Argument
- Sociale wetenschappen onderzoekt waarden, en kan dus niet waardenneutraal zijn.
- Weerlegging
- De waarden zijn het onderwerp van onderzoek, zij beïnvloeden het onderzoek zelf niet. Het is mogelijk om de waarden van een ander objectief te onderzoeken.
- Argument
- Sommige onderzoekers laten waarden of overtuigingen hun werk beïnvloeden, dus waardenneutraliteit bestaat niet.
- Weerlegging
- Soms is niet altijd; het feit dat het soms gebeurt betekent niet dat we het goedkeuren. En tenslotte komen we er vaak achter omdat latere wetenschapers wél waardeneutraal zijn.
- Argument
- Waardeneutraliteit is onmogelijk omdat er diepgewortelde (culturele) waarden zijn ingebed in onze onderzoeksmethodes en denken, waardoor deze inherent biased zijn.(Voorbeelden: marxisten → westerse waarden; feministen → mannelijke waarden)
- Weerlegging
- Allereerst is deze aanname niet getoetst, en onmogelijk te toetsen als al het onderzoek inherent biased is, zoals dit argument stelt. Daarnaast is er een filosofisch probleem: biased onderzoek kan niet bestaan als unbiased onderzoek niet ook mogelijk is.
Tenslotte kunnen vraagtekens gesteld worden bij het feit of cultureel bepaalde waarden een probleem vormen als deze de objectiviteit van het onderzoek niet in de weg zitten. Meer over interne en externe waarden in de volgende sectie.
Correcte argumenten tegen waardeneutraliteit
- Argument
- Waardeneutraliteit zelf is ook een waarde, dus wetenschap kan nooit waardeneutraal zijn; zelfs zonder alle andere waarden blijft deze over.
- Argument
- De keuze van onderzoeksonderwerp is waardegebonden; er zijn oneindig veel mogelijke onderzoeken uit te voeren, de criteria voor wat te onderzoeken zijn gebaseerd op wat we als waardevol beschouwen.
- Argument
- Het evalueren ("waarderen") van hypotheses, theorieën, data, of werk van anderen (in bijv. peer reviews) zijn gebaseerd op bepaalde waarden.
Interne en externe waarden
Het is duidelijk dat er wel degelijk bepaalde waarden een rol spelen in wetenschappelijk onderzoek. Volgens de postpositivist is dit niet erg. Om dit te begrijpen is het belangrijk verschillende soort waarden te onderscheiden:
-
Interne waarden bepalen hoe je onderzoek doet.
De interne waarden garanderen dat de interne werking van een onderzoek (argumentatie, gebruikte methodes, uitgevoerde analyses) objectief blijft, en maken wetenschap tot wat het is. Dit zijn de kernwaarden van de wetenschap, en mogen absoluut niet geschonden worden.
-
Externe waarden bepalen waarnaar en waarom je onderzoek doet.
De externe waarden mogen invloed hebben op het onderzoek, zolang de interne werking van het onderzoek gewaarborgd blijft.
Interne waarden worden soms ookwel “cognitieve waarden” genoemd, als tegenhanger van “ethische waarden”. Ethiek is belangrijk, maar geen kernwaarde van de wetenschap: onethisch maar objectief onderzoek is mogelijk.
Epistemologische relevantie
Een ander onderscheid dat gemaakt kan worden, is dat van epistemologische relevantie. Een epistemologisch relevante waarde is inhoudelijk, en draagt bij aan kennisconstructie.Rol van de gemeenschap
In het postpositivisme wordt gemeenschap (openheid, discussie, peer review) als beschermende factor gezien; objectiviteit een product van het sociale karakter van de wetenschap.Dit onderscheidt postpositivisme van positivisme, waar het sociale karakter van de wetenschap juist als slecht gezien werd, omdat het XXX.
Pseudowetenschap
Demarcatie
Demarcatie (“grens”) is het onderscheid maken tussen wetenschap en niet-wetenschap. Dit is belangrijk voor theoretische en praktische redenen:
-
Theoretisch: vanuit een wetenschapfilosofische perspectief kan demarcatie ons kennis over de wetenschap zelf opleveren.
-
Praktisch: voor besluitvormingsprocessen is de wetenschap onze meest waardevolle informatiebron. Foutieve informatie (waaronder niet-wetenschap) kan ernstige gevolgen hebben voor gezondheidszorg, klimaat, leefomgeving, onderwijs, journalisme, etc.
Non-science, unscience en pseudo-science
Voordat we verder ingaan om pseudowetenschap, is het belangrijk een aantal definities op een rijtje te zetten:
-
Non-science (niet-wetenschappelijk): alles dat niet onder de wetenschap valt. Hieronder vallen ook “onschuldige” domeinen, zoals praktijkkennis, vuistregels, religie, kunst etc.
-
Unscience (onwetenschappelijk): alles dat de wetenschap tegenspreekt. Hieronder vallen o.a. biased onderzoek en pseudowetenschap. Dit is een subcategorie van non-science.
-
Pseudo-science (pseudowetenschappelijk): alles dat de wetenschap tegenspreekt maar wel pretendeert wetenschappelijk te zijn. Dit is een subcategorie van unscience.
venn-beta
set NonScience["Non-"]:100
set Unscience["Un-"]:60
set PseudoScience["Pseudo-science"]:25
union NonScience,Unscience:60
union Unscience,PseudoScience:25
union NonScience,PseudoScience:25
union NonScience,Unscience,PseudoScience:25
style NonScience fill:#c084fc,stroke:#7e22ce,color:#4a044e
style Unscience fill:#f0abfc,stroke:#c026d3,color:#4a044e
style PseudoScience fill:#f9a8d4,stroke:#db2777,color:#500724
Is pseudowetenschap als begrip relevant?
- Vraag
- Is het niet voldoende om te zeggen "dit is fout", zonder het begrip pseudowetenschap te gebruiken?
- Uitleg
- Nee, want pseudowetenschap heeft ingebouwde "immuunstategieën" tegen kritiek en tegenbewijs, waardoor normale wetenschappelijke argumentatie ineffectief is om het te ontkrachten. Er is een andere aanpak nodig, en daarom is er behoefte aan een manier om pseudowetenschap te definiëren.
Definities van pseudowetenschap
Er zijn een aantal definities van pseudowetenschap. De eerste bestaat uit twee componenten:
- het is niet wetenschappelijk,
- het pretendeert wel wetenschappelijk te zijn.
Deze definitie is te breed, omdat bijv. ook fraude zou voldoen, terwijl fraude normaliter unscience is, geen pseudoscience.
Een onderscheidend kenmerk van pseudowetenschap is dat van de deviant doctrine of ideologie. Geïsoleerde onwetenschap, zelfs opzettelijk en structureel, valt onder unscience. We noemen het pas pseudoscience bij doorlopende, substantiële pogingen tot het promoten van standpunten die algemeen geaccepteerde standpunten tegenspreken.
Daarom wordt component (2) vervangen met:
- het is onderdeel van een onwetenschappelijke doctrine die pretendeert wel wetenschappelijk te zijn.
Echter, in sommige gevallen wordt de term ‘pseudowetenschap’ ook gebruikt om doctrines te beschrijven die claimen de rol van wetenschap te vervullen (“meest betrouwbare kennisbron op een onderwerp zijn”), maar niet pretenderen wetenschappelijk te zijn.
Daarom kan een derde variant van component (2) geformuleerd worden:
- het is onderdeel van een onwetenschappelijke doctrine die de indruk probeert te wekken de meest betrouwbare kennisbron op een onderwerp te zijn.
Definities (1)+(2′) en (1)+(2′′) worden afwisselend gebruikt. Vaak wordt pseudowetenschap gedefinieerd als (1) + (2′), maar wordt de term vervolgens gebruikt als (1) + (2′′).
De definities die tot nu toe gehanteerd zijn laten tijd buiten beschouwing. Volgens sommige filosofen is ‘wetenschappelijkheid’ niet tijdgebonden; wat vandaag wetenschappelijk is is morgen nog steeds wetenschappelijk. Echter, een essentiële eigenschap van wetenschap is voortgang en voortschrijdend inzicht, dus tijd speelt wel degelijk een rol.
Objectiviteit en wetenschappelijkheid zijn tijdsgebonden: handelen naar de beste kennis en methodes die op een moment in tijd beschikbaar zijn. De wetenschap van gisteren kan vandaag achterhaald zijn, maar dat maakt het niet onwetenschappelijk. Het voldeed immers aan de objectiviteitscriteria van het moment. Echter, dezelfde wetenschap vandaag uitgevoerd is wel onwetenschappelijk, aangezien de objectiviteitscriteria zijn veranderd.
Er is behoefte aan een tijdsgebonden variant van (1), zoals:
- in strijd met de meest betrouwbare kennis over een onderwerp die op een tijdstip beschikbaar is.
Een bijkomend voordeel van deze definitie is dat het oordeel over wetenschappelijkheid een inhoudelijke kwestie wordt, in plaats van een filosofisch probleem.
Demarcatiecriteria
Het falsificationisme (Popper) kan worden gebruikt als demarcatiecriterium om wetenschap van pseudowetenschap te onderscheiden (of voor de logisch positivist: metafysica).
Echter, alleen falsificationisme is onvoldoende (Lakatos), omdat het berust op logica die los staat van feiten of inhoud; een theorie zonder enig bewijs kan wetenschappelijk zijn als hij falsifiseerbaar is, en een goed ondersteunde theorie kan pseudowetenschap zijn als deze niet falsifiseerbaar is.
Nota bene, de meeste pseudowetenschappen zijn wél falsifiseerbaar, en ook volledig gefalsifiseerd. Hoe wordt omgegaan met tegenbewijs is veel belangrijker om wetenschap van pseudowetenschap te onderscheiden.
Het puzzelcriterium (Kuhn) stelt dat wetenschap wordt gekenmerkt door puzzelen. Het uit kritiek op het falsificationisme, omdat dat wetenschap typeert aan de hand van revoluties (waarin alles in één keer anders moet), en niet volgens het ‘normale’ iteratieve proces, dat als “puzzelen” wordt omschreven.
Het sophisticated (methodogical) falsificationisme (Lakatos) is een aanpassing van het falsificationisme, dat volledige onderzoeksprogramma’s toetst in plaats van individuele theorieën. Een programma is gefalsifiseerd en pseudowetenschappelijk als het degenererend is:
- Progressief: nieuwe voorspellingen worden empirisch bevestigd (data na hypotheses).
- Degenererend: alleen aanpassingen om problemen te verklaren (hypotheses na data).
Het progressiecriterium (Thagard) voegt een extra criterium aan sophisticated falsificationisme toe: een onderzoeksprogramma is pseudowetenschappelijk als het degenererend is en de onderzoekers “weinig moeite doen om problemen op te lossen, geen interesse hebben in het evalueren van de theorie in relatie tot andere theorieën, en selectief zijn in het accepteren van bewijs en tegenbewijs.”
Het verschil is dus dat Lakatos een programma zonder progressie altijd pseudowetenschap vindt, en Thagard het alleen pseudowetenschap vindt als het met opzet degenererend is.
Het eligibilitycriterium (Rothbart) stelt dat de objectiviteitscriteria voor het toetsen van een theorie los staan van zogenaamde toetswaardigheidscriteria die bepalen of een theorie überhaupt wel getoetst moet worden. Pseudowetenschappelijke theorieën voldoen hier niet aan:
- De theorie moet een weerlegging van het succes van de rivaaltheorie hebben.
- De theorie moet toetsbare implicaties hebben die tegenstrijdig zijn met de rivaaltheorie.
Het gemeenschapscriterium (Bright & Heesen) stelt dat onderzoek wetenschappelijk is als het openlijk beschikbaar wordt gesteld aan de gemeenschap. Dit maakt commercieel, maar objectief onderzoek ook pseudowetenschap, en dit is met opzet.
Pseudowetenschappen in relatie tot reguliere wetenschap
Er zijn twee vormen van pseudowetenschap, die vooral verschillen in hoe ze de reguliere wetenschap benaderen en afbeelden:
Pseudo-theory promotion probeert een eigen theorie te promoten, en presenteert vooral dat de reguliere wetenschap in overeenstemming is met de pseudo-theorie.
Science denialism probeert een geaccepteerde theorie te bevechten, en presenteert vooral dat in de reguliere wetenschap geen consensus is, en creeërt daarmee een gat dat de pseudo-theorie kan vullen.
Pseudowetenschappen als losse 'eilandjes'
Het woord "wetenschap" heeft twee betekenissen:
- Individuated ("een wetenschap"): werkveld/vakgebied; tak van kennis of studie.
- Unindividuated ("de wetenschap"): begrip als geheel; collectie van wetenschappen.
Wetenschappen staan altijd met elkaar in verband (astrofysica, biochemie, etc.) en vormen een coherent geheel: de wetenschap.
Pseudowetenschap is de tegenpool van individuated wetenschap (Reisch). Er zijn indivuele pseudowetenschappen, maar deze staan niet met elkaar, en ook niet met reguliere wetenschapsgebieden, in verband. Er is dan ook geen collectie "de pseudowetenschap".Begrippen die gerelateerd zijn aan pseudowetenschap
Scepticisme: Een term met drie relevante betekenissen:
- Philosophical scepticism ('philosophical sceptics'): een filosofische methode, waarbij zaken die heel vanzelfsprekend lijken in twijfel getrokken worden. Nuttig om de justificatie van 'zekerheden' na te gaan.
- Scientific scepticism ('science defenders'): kritisch zijn op aannames en fouten in wetenschappelijk onderzoek (bijv. in een peer review). Vooral gebruikt door organisaties of contexten die pseudowetenschap bevechten.
- Science denialism ('science deniers'): oppositie van algemeen geaccepteerde standpunten of consensus van de reguliere wetenschap.
Feitenweerstand: onbereidwilligheid om sterk onderbouwde feiten te accepteren. Een typisch kenmerk van pseudowetenschap, maar komt ook buiten de wetenschap voor.
Conspiracy theories: heimelijke samenzwering met mysterieus of dubieus doel. Betreft implausibele theorieën om sociale fenomenen te verklaren, als alternatief voor een voor de hand liggende theorie die om welke reden dan ook niet geaccepteerd wordt door een groep.
Bullshit: een onwaarheid die geen vorm van liegen is. Liegen is het opzettelijk verspreiden van onwaarheden, met als doel een ander te misleiden. In het geval van bullshit boeit het de persoon die het zegt niet of het waar is of niet, omdat de communicatie een ander doel heeft dan informatieverstrekking (bijv. ragebaiten).
Epistemisch relativisme: ontkenning van het regulatief ideaal, dat er één absolute of intersubjectieve waarheid is die wetenschap moet nastreven. Dit is vooral nuttig voor de kant met mindere credibiliteit of cognitieve autoriteit.