Geschiedenis van het onderwijs

Oudheid

China

In China ontstaat de eerste vorm van georganiseerd onderwijs waar we van weten. Er was grote invloed van Confucius. Volgens hem was inzet belangrijker dan afkomst (meritocratie), en had de leraar een voorbeeldfunctie. Morele vorming werd gedaan door het uit het hoofd leren en internaliseren van spreuken (“aforismen”).

Griekenland

Het Griekse onderwijs zou in twee onderwijsrichtingen kunnen worden ingedeeld:

Sofisten (retorisch)

Sofisten waren de eerste rondreizende betaalde leraren in Griekenland. Volgens hen was onderwijs was belangrijk voor de maatschappij en het vormen van burgerschap. Hun onderwijs was een voorbereiding op politiek en bestuur, en de nadruk lag op retoriek, debat, en overtuigen.

“Sofisterij” wordt nog steeds gebruikt als soort synoniem voor “schijn- of drogredenering”, omdat het onderwijs van de sofisten puur gericht was op overtuigen, losstaand van rationaliteit.

Later was hun onderwijs opgedeeld in drie divisies:

Isocrates (dat is een ander persoon dan Socrates!) was een sofist.

Socrates (filosofisch)

Socrates had kritiek op het onderwijs: volgens hem moet onderwijs zoeken naar de waarheid, en is kritisch nadenken belangrijk dan overtuigen en feitenreproductie. Hij vond dialoog de beste leermethode en doceerde aan de hand van conversatie, waarin hij leerlingen aanzette tot twijfel en zelfonderzoek. De docent was een daarbij gids, niet alleen kennisbron.

We hebben geen werken van Socrates teruggevonden, maar zijn leerling Plato heeft wel veel over hem geschreven. Het blijft echter lastig om de historische Socrates te onderscheiden van Plato’s literaire Socrates.

Plato (filosofisch)

Plato stelde dat de taak van onderwijs het herkennen en ontwikkelen van talent was, en zag het als een middel voor selectie van maatschappelijke rollen. Daarbij was talent belangrijker dan afkomst of geslacht (meritocratie). Hij vond dat vrouwen ook onderwijs moesten krijgen.

Sappho (filosofisch)

Sappho was een dichteres en oprichter van de eerste vormingsschool voor meisjes. Het onderwijs was gericht op poëzie, muziek en cultuur, en liet zien dat muziek niet per definitie militair en ‘mannelijk’ hoefde te zijn.

Of de school daadwerkelijk heeft bestaan is overigens onzeker: er is geen overlevering van beschikbaar; de school is ‘herontdekt’ in de Renaissance.

Aristoteles (filosofisch)

Aristoteles vond dat onderwijs niet alleen kennisoverdracht moest bewerkstelligen, maar ook praktische wijsheden moest leren, en moest bijdragen aan karakterontwikkeling. Hij leerde moraliteit en deugd aan door gewoontevorming en oefening. Hierbij had de leraar een voorbeeldfunctie. Het onderwijs moest aansluiten op de ontwikkeling van het kind.

Romeinen

De Romeinen nemen veel van de ideeën en cultuur van de Grieken over. Daaronder ook delen van het onderwijs.

Cicero

Cicero zag goed spreken als de kern van goed burgerschap, en stelde dat de ideale spreker ook ideaal moreel ontwikkeld zou zijn. In zeker zin verbind (of verward) hij daarmee taalvermogen en moraliteit.

Quintilianus

Quintilianus schreef het de eerste systematische beschrijving van het onderwijs. Daarnaast vond hij dat onderwijs moest aansluiten op de ontwikkeling van het kind, dat leerlingen op eigen tempo moesten leren, was hij tegen harde lijfstraffen en benadrukte hij leren via discussie en een positieve relatie tussen docent en leerling.

Christendom

Jezus gaf les aan de hand van verhalen en analogieën, zodat het toegankelijk (want je hoeft niet te lezen, en makkelijk doorgeven) en begrijpelijk (want makkelijk) was voor een bredere doelgroep. Zijn leer was voornamelijk gericht op morele vorming.

Middeleeuwen

Augustinus

Augustinus bekeerde zich op volwassen leeftijd tot het christendom en werd later bisschop van Hippo. Zijn grootste invloed is het verbinden van klassieke filosofie (vooral platonisme) met christelijk denken. Volgens hem volgt intellectutele ontwikkeling uit het bestuderen van klassieke geschriften.

Alexander de Grootte

Alexander de Grootte bracht kennis over filosofie, wetenschap, taal, en literatuur samen in de bibliotheek van Alexandria. Dat werd het nieuwe intellectuele centrum van de wereld. Ze ontwikkelden wiskunde, geografie en wetenschap volgens de Atheense standaard. Echter verplaatste dit zich langzaam richting Constantinopel. In 640 ging de bibliotheek ten onder in een grote brand.

Karel de Grote

Karel de Grote doet in de late middeleeuwen een poging tot het organiseren van het onderwijs. Er is een herwaardering van de klassieke kunsten. Het curriculum bestond uit de Vrije Kunsten, opgedeeld in twee delen:

In de steden ontstaan de eerste universiteit, waar vast aangestelde docenten verschillende opleidingen verzorgen voor studenten uit verschillende regio’s. Verschillende steden hadden verschillende specialisaties. Na afronding van een examen ontvingen studenten een graad.

Boeken waren nog zeldzaam en erg duur om te produceren. De focus van het onderwijs was daarom het onthouden van feitenkennis, door veel herhaling (‘rote learning’) en verschillende geheugentechnieken.

16e en 17e eeuw

Staatsvorm & onderwijsbeleid

Nederland heet nog de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. Het is geen eenheidsstaat, maar een verzameling autonome gewesten. Er zijn daarom ook geen landelijk onderwijsbeleid, alleen lokale verorderingen, in te delen in drie soorten:

Plaatselijke en gewestelijke verordeningen leken wel sterk op elkaar, en er was in de gehele Republiek algemene consensus over de doelen en vormgeving van het onderwijs.

De rol van de overheid is erg klein. Er werd aan de ene kant weinig bemoeid met het onderwijs, en aan de andere kant ook weinig geld besteedt aan het onderwijs.

Organisatie en inhoud van het onderwijs

Kerk, staat en onderwijs zijn sterk vervlochten. Het doel van het onderwijs is dan ook vooral godsdienstig. (Hoewel ouders hun kinderen vooral naar school stuurde om te leren lezen en schrijven.)

De vakken zijn godsdienst, lezen, schrijven, en in uitzonderlijke gevallen ook rekenen (maar vaak werden hiervoor extra kosten in rekening gebracht).

Leesonderwijs is gericht op het lezen van de Bijbel; het is een middel voor het godsdienstige onderwijs. Het is ook geen basisvaardigheid zoals in het hedendaagse onderwijs, maar een einddoel opzich.

Het leesonderwijs werd georganiseerd in vier fases:

Pas als een leerling kon lezen mocht deze beginnen met schrijfonderwijs. Schrijven werd nog gezien als een “kunst”, die ook niet voor iedereen was weggelegd. Het was belangrijker om mooi te kunnen schrijven dan om überhaupt te kunnen schrijven.

Het onderwijs moest voor iedereen toegankelijk zijn. Daarom is er een maximumbedrag voor schoolgeld, en was het onderwijs voor arme kinderen gratis. Ouders maken hier echter weinig gebruik van, omdat ze het inkomen uit de arbeid van hun kinderen niet kunnen missen, en lezen en schrijven hun positie op de arbeidsmarkt ook niet versterkt.

Het schoolgaan was onregelmatig. Er was geen leerplicht en ouders hielden hun kinderen vaak thuis als er behoefte was aan extra arbeidskrachten. Daarnaast werd schoolgeld per week of per maand betaald, en werd het volledige bedrag gerekend, ook als een kind die periode maar de school maar één keer bezocht had. Daarom hielden ouders, een kind dat al één dag gemist had, vaak de rest van de periode ook thuis.

De verhouding jongens op meiden was ongeveer gelijk, maar meiden leerden minder lang door en hadden over het algemeen meer verzuim omdat er op hen vaker een beroep werd gedaan voor huishoudelijke taken en oppas.

De onderwijsvorm van de tijd was hoofdelijk onderwijs. Dat hield in dat alle leerlingen zelfstandig en op eigen tempo de stof doorwerkten, en zo af en toe overhoord werden door de meester. Het klaslokaal (een eenvoudige, slecht verlichte ruimte) was hier ook op ingericht: er zijn geen vaste plaatsen, en leerlingen zitten of lopen door elkaar, jongens en meiden gemengd.

Dit was beide volgens de verordeningen niet de bedoeling, maar door het onregelmatige schoolgaan en meubilair van de tijd waren vaste plekken moeilijk te realiseren.

De meester is het centrale figuur. Hij zit midden in de ruimte op een verhoogde lessenaar, waar hij goed overzicht kan houden over de leerlingen. Hij wordt waar nodig (vooral in steden met grotere klassen) ondersteund door zijn vrouw, een ondermeester, of oudere leerlingen.

Het beroep schoolmeester (ookwel ‘schoolhouder’)

Er was geen opleiding om schoolmeester te worden en er waren ook geen bekwaamheidseisen, behalve in een paar steden waren een examen afgelegd moest worden. De enige eisen die gesteld werden waren op godsdienstig gebied, en werden gesteld door de kerk: hervormde gezindheid, bij voorkeur lidmaatschap aan een hervormde kerk, godsvrucht en een goede levenswandel. In sommige steden was ervaring als ondermeester wel nodig, waarbij bepaalde leermeesters hoger gewaardeerd werden dan anderen. Er was geen minimumleeftijd om meester te worden (behalve in Dordrecht, daar moest je 25 zijn), maar een leeftijd van 18-20 jaar was gebruikelijk. Ondermeesters begonnen vaak rond ongeveer 12-16 jaar.

In dorpen werden schoolmeesters door de kerk en het dorpsbestuur samen benoemd. Een aanstelling was voor het leven, en bij wangedrag volgde zelden ontslag, omdat de meester dan in de bijstand (“diakonie”) terecht zou komen, en dat was duur.

Het inkomen van de schoolmeester was het schoolgeld, dat wekelijks of maandelijks door ouders betaald werd. Hij was zelf verantwoordelijk dit te innen. Daarnaast kregen meesters vaak nog een toelage van de kerk of het dorpsbestuur, en konden ze bijverdienen door het aanbieden van extra diensten, zoals ganzenveren snijden of schrijfvoorbeelden maken.

Omdat het grootste deel van het inkomen van een schoolmeester direct bij de ouders vandaan kwam, speelden ouders ook een grote rol in het 17e-eeuwse onderwijs.

Het salaris was dusdanig laag dat een meester vaak genoodzaakt was tot nevenwerkzaamheden, zoals ambachten, administratieven functies of een kerkfunctie. (Hiervoor was vaak wel een praktijkexamen nodig.)

Een schoolmeester had geen recht op pensioen, maar kon er wel lief om vragen. Het pensioen was vaak erg laag, en in veel gevallen werd het ingehouden op het salaris van de opvolger. Weduwen kregen niks.

De meester mocht kinderen straffen naar eigen inzicht. Veelvoorkomende straffen waren een pak slaag (met de plak of roe), opsluiting in de kast en vernedering. De meester was geacht “streng maar vaderlijk” op te treden en moest ‘ontzachelijk’ zijn: gezag hebben maar tevens spaarzaam omgaan met de plak en roe. De uiterste straf die een meester kon opleggen was een kind van school sturen, maar dat was echt een noodmaatregel, omdat het direct verlies van inkomen voor de meester betekende.

Schoolvrouwen Het was in principe niet toegestaan voor vrouwen om een dorps- of stadsschool te houden. Echter, soms werd een school gehouden door een man en vrouw samen, of zette een weduwe de school van haar overleden man voort. Daarnaast was in veel dorpen de hulp van de vrouw van de schoolmeester onmisbaar. Eenvoudige particuliere Nederduitse scholen waren wel toegestaan.

Schooltijden

De school was zes uur per dag open. Op het midden van de dag hadden kinderen twee uur pauze, waarin ze eventueel naar huis kunnen gaan. School begint aanvankelijk om 6:00 of 7:00, maar dit werd gedurende de eeuw steeds later.

Er waren aanvankelijk ook geen schoolvakanties, maar deze worden later wel ingevoerd en worden ook steeds langer. De vakantie is vooral voor de meester bedoeld; kinderen konden immers elk moment thuisblijven, want de leerplicht was bestond nog niet

Er was geen structuur in het schooljaar. Er was geen eerste of laatste schooldag, er waren geen klassen of overgangen. Iedere leerling had een eigen leerproces, en ging verder waar hij of zij gebleven was. Er was vaak wel sprake van een zomer- en winterseizoen, met aangepaste schooltijden.

In de zomer ging de school soms dicht, omdat alle leerlingen dan aan het werk waren op het land. Dit was volgens verorderingen overigens wel verboden.

De woensdag- of zaterdagmiddag waren vaak gedeeltelijk vrij. Op zaterdagochtend werd meestal het lokaal opgeruimd, waarna de kerkdienst van zondag alvast werd voorbereid.

Schooltoezicht

De scholen werden gecontrolleerd door door de zogenaamde “scholarchen”, een overblijfsel uit de middeleeuwen. Scholarchen kwamen vaak uit de kerk of het lokale bestuur. Ook werden bepaalde taken werden gedelegeerd aan de schoolmeestersgilde.

Het was de bedoeling dat zij de scholen onaangekondigd bezochten. In de praktijk waren bezoeken echter vrijwel altijd aangekondigd (meestal bij prijsuitrijkingen of examens) en goed voorbereidt door de school.

Naast hun functie als toezichthouder, losten ze ook verschillende geschillen op tussen schoolhouders en ouders en schoolhouders onderling, en handhaafde ze overige regels uit de verorderingen, zoals bijv. de numerus clausus op de hoeveelheid schoolmeesters in een stad.

Zoals misschien te verwachten is, was de schoolmeestersgilde over het algemeen strenger in het handhaven van de numerus clausus dan de scholarchen.

Naast de scholarchen en meestersgildes, werden scholen ook bezocht door afgevaardigde van de kerk, in de jaarlijkse visitatie.

Schoolsoorten

In de middeleeuwen ontstaat de grote school, met een onder- en bovenbouw. In de 16e eeuw wordt deze opgesplitst in twee schoolsoorten:

Daarnaast kan ook onderscheid gemaakt worden op basis van de financiëring van de school:

Tussen verschillende scholen bestonden grote verschillen in leeftijd, niveau, aantal leerlingen, schoolgeld, en voorzieningen.

Bewaarscholen Een ander type "school" was de bewaarschool, een soort primitieve vorm van kinderopvang. Er werd hier geen onderwijs aangeboden.

Latijnse school

Onder invloed van humanistische beweging in de Renaissance krijgt het onderwijs op Latijnse scholen een grotere focus op cultuur. De nadruk verschuift van het “verloederde” middeleeuwse Latijn dat nog in gebruik was, naar het klassieke Latijn van de oudheid. Daarnaast wordt Grieks geïntroduceerd als bijvak, om het Latijn beter te kunnen begrijpen.

Echter, de verschillen tussen verschillende Latijnse scholen lopen teveel uiteen. Daarom besluit Holland tot het invoeren van de ‘schoolorde’, die bepaalt welke vakken gegeven worden, hoe het lesrooster eruit ziet, en welke kennis leerlingen aan het einde moeten hebben. Friesland had al in de vorige eeuw een dergelijke verordening opgesteld.

Hieronder staat kort samengevat hoe de schoolorde er ongeveer uitzag (de literatuur was niet heel duidelijk dus dit is het beste dat ik kon doen, sorry):

Vak jaar 1 (klas 6) jaar 2 (klas 5) jaar 3 (klas 4) jaar 4 (klas 3) jaar 5 (klas 2) jaar 6 (klas 1)
Calligrafie / schrijven 6 4 4 4 facultatief facultatief
Godsdienst 2 2 (?) 2 (?) ? ? ?
Latijn 24 26 20 ? ? ?
waarvan grammatica 24 6 ? ? ? ?
waarvan woordenschat 2 ? ? ? ?
waarvan lezen 8 ? ? ? ?
waarvan oefenen 6 ? ? ? ?
waarvan repetities 2 ? ? ? ?
waarvan disputen 2 ? ? ? ?
Grieks 4 2 2 2
waarvan grammatica 4 2 2 2
waarvan schrift bij calligrafie
Frans ? ? ? ? ? ?
Logica & retorica ? ? ?
Muziek facultatief facultatief
Wiskunde / rekenen ? ? ? ? ? ?
Aardrijkskunde ? ? ? ? ? ?
Geschiedenis ? ? ? ? ? ?
Totaal lesuren 32 uur/week 24 uur/week

18e eeuw

Verlichting

De 18e eeuw is de tijd van de Verlichting ziet de opkomst van het rationalisme. Men gaat het onderwijs zien als een oplossing voor armoede, en onderwijs krijgt een pedagogisch karakter. Opvoeding zou leiden tot betere, verstandigere mensen, en iedereen moest hier toegang toe hebben. Het kind was hierbij het uitgangspunt (niet meer behandeld als een mini-volwassene).

Filosofen en pedagogen uit deze tijd willen kerk en onderwijs scheiden, en streven intellectuele emancipatie na als doel van het onderwijs. Echter is hun werk sterk gericht op kinderen uit betere standen. De hervormingen die ze voorstellen zijn in Nederland niet doorgevoerd; de focus van onderwijsvernieuwingen lag op voorlopig op onderwijs voor de massa’s.

Piëtisme Een andere stroming die ook van belang is is het Piëtisme, een stroming van het protestantse geloof uit Duitsland die zorg en opvoeding voor alle mensen stimuleerde. De Verlichting en het Piëtisme hadden een fundamenteel anders mensbeeld (Piëtisme: mens is zondig; Verlichting: mens is goed), maar geloofde beide in de opvoedbaarheid van de mens.

Inhoud van het onderwijs

Inhoudelijk zijn er ook een aantal veranderingen: er is meer behoefte aan mensen die kunnen lezen, schrijven en rekenen. Geletterdheid wordt hoger gewaardeerd en gezien als een manier om hogerop te klimmen in de maatschappij. Nieuwe vakken zoals aardrijkskunde, geschiedenis en natuurkunde komen op. (Al had natuurkunde een andere focus dan tegenwoordig; ‘kennis van de natuur’ is een betere beschrijving.)

Het Frans begint het Latijn te vervangen als internationale taal, maar het Latijn blijft voorlopig nog de wetenschappelijke taal en het toegangskaartje tot de universiteit. De school begint ook steeds meer taken op zich te nemen die voorheen in de thuissfeer geleerd werden.

Schoolsoorten

Schoolvormen die gedurende de voorgaande eeuw ontstonden worden dominanter:

Latijnse school

Na de bloei in de eerste helft van de 17e eeuw kwam de Latijnse school in verval terecht (de teruggang begon al rond 1650). De relevantie van het Latijn in dagelijks gebruik neemt verder af door de opkomst van het Frans. In de 17e eeuw kon men nog eventueel zonder Frans, maar niet zonder Latijn, in de 18e eeuw is dat andersom.

Er zijn nog maar weinig leerlingen, maar steden houden het instituut in leven vanwege de prestige.

Een andere verandering is dat vanaf de 18e eeuw de nummering van klassen omgedraaid wordt naar de nummering die we tegenwoordig nog steeds gebruiken: 1 voor de eerste klas en 6 voor de laatste.

19e eeuw

Staatsvorm & onderwijsbeleid

Door de Bataafse Revolutie ontstond de Bataafse Republiek, een eenheidsstaat met een centrale regering in Den Haag. Kerk en staat waren officieel gescheiden. Onderwijs werd een kernpunt van het nieuwe nationale beleid, met de doelstelling het opleiden tot maatschappelijke en christelijke deugden.

Hiertoe werd een bewindsman aangesteld: de Agent van Nationale Opvoeding.

De Instructie

De Agent van Nationale Opvoeding kreeg een uitgebreide beschrijving van zijn takenpakket, genaamd de 'Instructie'. Hierin stond onder andere:

Er werd daarnaast ook expliciet opgedragen tot een landelijk onderzoek naar schoolresultaten: de eerste landelijke onderwijsenquête.

Aan het begin van de 19e eeuw worden drie wetten doorgevoerd, in 1801, 1803, en 1806. De wetten van 1803 en 1806 waren nodig naar aanleiding van grondswetswijzigingen, maar hebben verder weinig inhoudelijke wijzigingen.

Organisatie van het onderwijs

In navolging van de wet van 1806 wordt onderwijs een verantwoordelijkheid van de overheid, niet van de kerk. Leerstellig onderwijs wordt verboden: er moet onderwijs worden gegeven ‘in de christelijke geest’, maar godsdienst mag alleen voorkomen waar relevant voor geschiedenis of opvoeding.

Klassikaal onderwijs vervangt het hoofdelijke onderwijs. De school wordt opgedeeld in drie klassen, op basis van het niveau, met overgangen via een examen. Ook de methodes van het onderwijs veranderen: verklaren, in plaats van stampen. Lijfstraffen worden in het landelijke van 1820 verboden.

Het verzorgen van schoolgebouwen wordt een verantwoordelijkheid van stads- en gemeentebesturen. De gebouwen hoefden niet mooi te zijn, maar er waren wel eisen in verband met medische zijde: voldoende ruimte, lucht en licht konden ziekte voorkomen.

De inrichting van het klaslokaal veranderd ook:

Schooltoezicht

Het beroep van schoolmeester

Het onderwijs van de voorgaande eeuw was van lage kwaliteit door slecht benoemingsbeleid en (financiële) onderwaardering. Daarom komen er bekwaamheidseisen aan het beroep, zijn een toelatingsakte en bewijs van goed gedrag nodig om aangesteld te kunnen worden, en komt er recht op een toereikend inkomen, verzorgd door de lokale overheden.

Er werden vier soorten aktes uitgegeven, van oplopend niveau:

Rang Eisen Aantal uitgegeven
Vierde rang Lezen, schrijven en rekenen 762
Derde rang Ook kennis van de Nederlandse taal 704
Tweede rang Ook aardrijkskunde en geschiedenis 439
Eerste rang Alleen in uitzonderlijke gevallen 12

Om een akte te behalen moesten onderwijzers een examen afleggen. Dit examen koste de staat niks, omdat het werd afgenomen door de lokale schoolopzieners.

De Hervormde Kerk bleef echter een grote invloed hebben op het onderwijs, op twee manieren. Allereest was een groot deel van de onderwijsopziers tevens predikant; ze waren niet in die hoedanigheid gekozen, maar omdat ze bekend stonden als aanhangers van onderwijsvernieuwing. Daarnaast bleven veel onderwijzers een kerkelijke functie aanhouden, en werden zij daarom gecontrolleerd door predikanten, ook wat het onderwijs betreft.

Schoolsoorten

De wet van 1806 introduceert geen nieuwe schoolsoorten, maar geeft een indeling aan de scholen die voorheen al bestonden:

Bijlage 1: Complete tijdlijn

Bijlage 2: Onderwijsdenkers

John Locke Een bekende filosoof uit deze tijd is John Locke. Volgens hem wordt een mens geboren als onbeschreven blad, en maakt opvoeding hem pas tot volwaarlijk mens. De omgeving is dus belangrijker dan aanleg.
Jean Jacques Rousseau Een andere filosoof uit deze tijd is Jean Jacques Rousseau. Hij stelt dat kinderen van nature nieuwsgierig en goed zijn, en dat opvoeding die nieuwsgierigheid moet koesteren en prikkelen. Hij ziet boeken en straffen als negatieve invloeden en legt nadruk op de voorbeeldfunctie van de leraar.
Mary Wollstonecraft
Johann Heinrich Pestalozzi Een onderwijsdenker die klassikaal lesgeven introduceert. Hij benadrukt het belang van een individuele aanpak en afstemming op gezinssituatie.
Johann Friedrich Herbart
Friedrich Fröbel

Bijlage 3: Boekenoverzicht