Toepassing van onderzoeksmethoden en statistiek

Deze samenvatting veronderstelt voorkennis van KOM en Wetenschapsfilosofie.


Dataverzameling

Modes

Modes van een vragenlijst
Modes van een interview
Modes van een focusgroep

Eigenschappen van modes

Mixed-modes designs

Vragenlijst

Een vragenlijst bestaat uit vragen (‘items’), die worden uitgevraagd als meerkeuze (nominaal) of Likert-schaal (ordinaal). Samenvoegen van itemscores geeft een schaalscore (interval).

De Likert-schaal kan een even of oneven aantal opties hebben; even voorkomt dat respondenten overal ‘neutraal’ invullen, maar forceert wel een dichotome keuze die mogelijk onterecht is.

Criteria voor goede vragen

Er zijn een aantal kenmerken waaraan vragen moeten voldoen:

Het is ook belangrijk om geen (statistisch) vakjaron in de vraagstelling te gebruiken.

Survey lifecycle

flowchart LR
  W -.-> Respondenten
  H -.-> Vragenlijst
  Dataverzameling -.-> Antwoorden
  A -.-> Analyseren
  subgraph Theorie-data cyclus
  T[Theorie/idee] --> Onderzoeksvraag
  Onderzoeksvraag --> Onderzoeksontwerp
  Onderzoeksontwerp --> Hypothese
  Hypothese --> Dataverzameling
  Dataverzameling --> A[Data-analyse]
  end
  subgraph Onderzoeksontwerp
  W[Wie?]
  H[Hoe?]
  end
  subgraph Survey lifecycle
  Vragenlijst --> Vragenlijstontwerp
  Vragenlijstontwerp --> Respondenten
  Respondenten --> Antwoorden
  Antwoorden --> D[Datavoorbereiding]
  D --> Analyseren
  end

Interviews & focusgroepen

Elliciteren

In interviews en focusgroepen kan je elliciteren: antwoorden uitlokken.

Je kan elliciterende materialen gebruiken, zoals vignetten. Dat zijn korte impressies of casusen, gemaakt voor het onderzoek of uit bestaande data.

Observaties

Manieren van observatieonderzoek
term betekenis
Complete participant verhuld — participerend
Participant observer onverhuld — participerend
Observer onverhuld — niet-participerend
Covert observer verhuld — niet-participerend
Soorten observaties
Etnografie

Etnografie is onderzoekstype dat veel wordt gebruikt voor culturele en medische antropologie. Het is een vorm van methode-triangulatie, waarbij participerende observaties gecombineerd worden met interviews, focusgroepen en bestaande data.

Er is vaak sprake van een gatekeeper die toegang geeft tot de populatie en een key informant die een centrale positie met veel kennis en aanzien heeft binnen de populatie.

Bestaande data

Manifest Latent
beschrijvend interpretatief
objectief subjectief
direct zichtbaar onderliggende betekenis
Voorbeeld
Manifest Latent
Aantal keer dat woord \(x\) voorkomt. Context van het woord \(x\).
Hoeveelheid minuten \(y\) zichtbaar. Manier van afbeelden van \(y\).
Aantal afbeeldingen van \(z\). Positionering van afbeeldingen van \(z\).

Fouten, effecten & bias

Fouten bij het gebruik van vragenlijsten

Fouten hoeven niet altijd een gevaar te vormen voor het onderzoek. Als er sprake is van een willekeurige fout (‘random error’), zal dat weinig invloed hebben op de resultaten. Echter, systematische fouten zorgen voor vertekening, en dan komt de validiteit in het geding.

Bedreigingen bij observartieonderzoek

Bedreigingen voor interne validiteit

Onderzoeksontwerpen

Databewerking

Filteren

Het is mogelijk om rijen (bijv. uitschieters) uit de dataset te filteren. Klik daarvoor in het data-overzicht bovenin op . Je kan dan R-code typen of visueel een filter samenstellen. Een filter kan bijv. zijn:

\[(id \neq 12) \land (id \neq 16)\]

Ompolen

Het is mogelijk om nieuwe kolommen/variabelen te berekenen met een formule op basis van andere kolommen/variabelen, klik daarvoor + aan de rechterkant. Je kan dit gebruiken om variabelen om te polen. Dat doe je door deze formule:

\[\text{minimale waarde} + \text{maximale waarde} - \text{naam van kolom}\]

Voorbeeld Stel een item \(Q_5\) met een bereik van 3 tot 9. De formule voor \(Q_{5,R}\) is dan: \[3 + 9 - Q_5\]

Schaalscores

Je kan dezelfde techniek gebruiken om kolommen/variabelen voor schaalscores toe te voegen. Er zijn twee soorten schaalscores:

De R-code voor het berekenen van een somscore is:

apply(data.frame(Q1, Q2, Q3), 1, mean, na.rm=True)

Het is ook mogelijk om een gewogen gemiddelde te berekenen. Daarbij tellen bepaalde vragen zwaarder mee dan anderen. Dit wordt niet behandeld bij TOE en is geen tentamenstof.

Data-analyse (kwantitatief)

Beschrijvende statistieken

Je kan beschrijvende statistieken opvragen voor één of meer variabelen opvragen via Descriptives Descriptive Statistics.

Het is ook mogelijk om te splitsen op een andere variabelen (via Split). Deze variabele mag maximaal 10 niveau’s hebben.

Frequentietabellen

Onder Tables Frequency tables is het mogelijk om frequentietabellen op te vragen. Ook hierbij mag de variabele maximaal 10 niveau’s hebben.

Grafieken

Je kan verschillende grafieken opvragen, afhankelijk van het meetniveau van de variabele:

Correlatie

Een correlatie gebruik je om het verband tussen twee variabelen te bepalen. Je doet dit aan de hand van een visuele check en een Pearson- of Spearman-correlatiecoëfficient.

Voordat je een correlatiecoëfficient mag berekenen moeten eerst de voorwaarden gecheckt worden:

Voorwaarden Pearson-correlatie

Voorwaarden Spearman-correlatie

De voorwaardes van steekproef en meetniveau kan je bepalen zonder statistiek. Het soort verband bepaal je aan de hand van een spreidingsdiagram.

Dit doe je door: Descriptives Descriptive Statistics, en kies twee variabelen. Plot daarna een spreidingsdiagram via Customizable plots Scatter plots.

Instellingen

Als er sprake is van een linear verband mag je een Pearson-correlatie bepalen, anders alleen een Spearman-correlatie. Beide doe je via Regression Classical Correlation. Je kiest dan onder Sample Correlation Coefficient (linkerkolom) voor Pearson’s r of Spearmans’s rho.

Na het selecteren van de variabelen zie je de correlatiematrix. Bij twee variabelen is die makkelijker leesbaar als je Display pairwise aanvinkt. In de tabel staat de \(r\) of \(\rho\) met de bijbehorende \(p\)-waarde.

Betrouwbaarheidsanalyse

Een betrouwbaarheidsanalyse gebruik je om de onderlinge samenhang van items in een meetinstrument (bijv. vragenlijst) te checken. Je doet dit aan de hand van Cronbach’s alpha (\(\alpha\)).

Om een betrouwbaarheidsanalyse uit te voeren ga je naar Reliability Unidimensional Reliability, en kies je alle variabelen van het meetinstrument.

Instellingen

Soms duurt het heel lang om de betrouwbaarheidsanalyse uit te voeren, of lukt het helemaal niet. Gebruik dan Advanced Confidence Intervals Bootstrapped Interval.

De betrouwbaarheidsanalyse geeft twee resultaten: een Cronbach’s \(\alpha\) en een tabel met items. In de tabel laat de item-rest correlation (ookwel \(rit\)-waarde) zien hoe sterk een item samenhangt met de rest, en de Cronbach’s alpha if dropped laat zien wat er \(\alpha\) zou gebeuren als het item verwijderd zou worden.

Als \(rit < .20\) en \(\alpha\) sterk stijgt bij verwijderen, moet een item verwijderd worden. Je haalt het item dan uit de betrouwbaarheidsanalyse, en neemt het niet meer mee in het berekenen schaal­scores. Houdt hierbij wel rekening met de inhoudelijke en subjectieve relevantie van het item.

Alle data in de tabel staat met elkaar in samenhang. Het is daarom uitermate belangrijk dat er maximaal één item per keer wordt verwijderd!

Voor de interpretatie van Cronbach’s \(\alpha\) geldt binnen de sociale wetenschappen:

Cronbach’s \(\alpha\) interpretatie
\(< .70\) slecht
\(< .80\) gemiddeld
\(> .80\) goed

Dit is afhankelijk van de consequenties bij foute interpretatie. Voor medisch onderzoek zou je waarschijnlijk een hogere grenswaarde hanteren dan binnen de sociale wetenschappen.

Regressie

Bij regressie maak je een model waarmee je op basis van één of meer predictorvariabelen voorspellingen kan doen over een andere variabele. We noemen de predictorvariabelen onafhankelijk (\(x\)-as), en de voorspelde variabele afhankelijk (\(y\)-as). Bij enkelvoudige regressie (SLR) is één predictorvariabele, bij meervoudige regressie (MLR) zij er meerderen.

Hoe werkt dit?

Een regressie bepaalt de meest accurate lijn door een puntenwolk, en drukt deze lijn uit als wiskundig verband. Dit noemen we functiefit. De techniek die hiervoor gebruikt wordt heet least squares regression. Daarbij wordt voor elke punt de afstand tot de lijn ("residu") bepaald, en de lijn met de laagste som van gekwadrateerde residuen ("sum of squared residues") wint.

De standaardschattingsfout (\(\text{RMSE}\)) is de standaarddeviatie van de residuen, en drukt de nauwkeurigheid van voorspellingen uit.

Assumpties

Voordat je een regressie mag uitvoeren moeten eerst de voorwaarden gecheckt worden:

Voorwaarden

“Gelijke spreiding”, “homogeniteit van variantie” en “homoscedasticiteit” betekenen hetzelfde. In deze samenvatting gebruik ik overal “gelijke spreiding” omdat ik dat het makkelijkst te begrijpen vind.

De voorwaarde van meetniveau kan je bepalen zonder statistiek. De uitschieters en spreiding kan je opvragen: (Over de normaliteit werd niks gezegd in het hoorcollege of de Grasples.)

Analyse uitvoeren

Je voert een regressie uit via Regression Classical Linear Regression. Je kiest dan bij Dependent Variable de afhankelijke variabele en bij Covariates de onafhankelijken.

Resultaten interpreteren

De regressie geeft drie resultaten:

Dus de \(F\)-toets uit ANOVA geeft de significantie van het gehele model, en de \(t\)-toets uit Coefficients geeft de significantie van individuele predictorvariabelen.

Formule opstellen

Mits significant, kan je het model weergeven als wiskundige functie in de vorm \(y = ax + b\):

\[\hat{y} = b_0 + b_1 x_1 + b_2 x_2 + b_3 x_3 … b_n x_n\]

Waarbij \(b_0\) het snijpunt met de \(y\)-as is, \(b_n\) de richtingscoëfficient van de predictorvariabele, en \(x_n\) de waarde van de predictorvariabele. Het dakje geeft aan dat het om een voorspelling gaat.

Balans vinden tussen eenvoud en nauwkeurigheid

Het toevoegen van meer predictorvariabelen zal altijd zorgen voor een toename van \(R^2\) en een afname van \(\text{RMSE}\). Echter is het belangrijk om een balans te vinden tussen de hoeveelheid predictorvariabelen; het doel is een spaarzaam (‘parsimonious’) model dat eenvoudig én nauwkeurig is.

Data-analyse (NHST)

\(t\)-toets

Een \(t\)-toets gebruik je om twee groepen met elkaar te vergelijken, bij between-subjects designs. Als er sprake is van onafhankelijke groepen mag je de Indepentent Samples T-Test uitvoeren, bij afhankelijke groepen (bijv. bij gepaarde of herhaalde metingen) gebruik je de Paired Samples T-Test.

Assumpties

Voordat je een \(t\)-toets mag uitvoeren moeten eerst de voorwaarden gecheckt worden:

Voorwaarden Independent T-Test

Voorwaarden Paired T-Test

De voorwaardes van steekproef, onafhankelijkheid en meetniveau kan je bepalen zonder statistiek. De verdeling en spreiding kan je opvragen:

Wat als voorwaarde van spreiding geschonden is? Het is niet super erg, want de \(t\)-toets (en straks ook ANOVA) zijn robuust tegen kleine schendingen. Je mag de toets nog steeds uitvoeren als:

Analyse uitvoeren

Je voert een \(t\)-toets uit via T-Tests Classical Indepentent Samples T-Test of Paired Samples T-Test. Je kiest dan bij Dependent Variables de afhankelijke variabele en bij Grouping Variable de onafhankelijke.

Resultaten interpreteren

De \(t\)-toets geeft een \(t\)-waarde en bijbehorende \(p\)-waarde. Deze interpreteer je aan de hand van het gekozen significantieniveau (\(\alpha\)). Bij een gerichte hypothese controlleer je eerst de richting en halveer je vervolgens de opgevraagde \(p\)-waarde.

Als het verschil significant is, kan je ook de effectgrootte opvragen door onder Cohen’s d aan te vinken onder Additional Statistics Effect size.

Hypotheses

\(H_0: \mu_1 = \mu_2\) en \(H_A: \mu_1 \neq \mu_2\) (of een gerichte hypothese)

Voor de interpretatie van effectgroottes geldt binnen de sociale wetenschappen:

\(d\) interpretatie
\(0.2\) klein
\(0.5\) matig
\(0.8\) groot

ANOVA

Een ANOVA (‘analysis of variance’) gebruik je om meer dan twee groepen met elkaar te vergelijken, bij between- en within-subjects designs.

Waarom ANOVA?

Als je meer dan twee groepen hebt, kan je ze twee-bij-twee met elkaar vergelijken met een \(t\)-toets. Je moet dan \(k - 1\) toetsen uitvoeren, waarbij \(k\) het aantal groepen is. Echter, elke vergelijking heeft een kans op een type I fout, waardoor de totale kans op een type I fout sterk toeneemt. Dit noemen we kanskapitalisatie.

Door de verhouding van variantie binnen en tussen groepen te berekenen, is het wél mogelijk om te bepalen of een groep significant van de andere groepen verschilt, zonder kanskapitalisatie. Dat is wat een ANOVA doet.

Verschillende soorten ANOVA

Er zijn een aantal verschillende soorten ANOVA:

Assumpties

Voordat je een ANOVA mag uitvoeren moeten eerst de voorwaarden gecheckt worden. Deze zijn hetzelfde als bij de \(t\)-toets.

Voorwaarden omnibus ANOVA

De voorwaardes van steekproef, onafhankelijkheid en meetniveau kan je bepalen zonder statistiek. De verdeling en spreiding vraag je op dezelfde manier op als bij een \(t\)-toets. De uitschieters lees je uit in de boxplot. Bij schending gelden ook dezelfde regels als bij de \(t\)-toets.

Wat als voorwaarde van normaliteit geschonden is? Het is niet super erg, want bij een steekproefgrootte van \(> 30\) is de ANOVA robuust tegen schending van normaliteit.

Analyse uitvoeren

Je voert een ANOVA uit via ANOVA Classical ANOVA. Je kiest dan bij Dependent Variables de afhankelijke variabele en bij Fixed Factors de onafhankelijke.

Het is ook mogelijk om de voorwaarden te checken via de ANOVA zelf. Klik daarvoor op Raincloud Plots. In de raincloud zie je een scatterplot, boxplot en glooiende curves. Controlleer de spreiding met de IQR, de normaliteit met de glooiende curves, en uitschieters door te kijken of er punten buiten de “staart” van de boxplot liggen.

Resultaten interpreteren

De ANOVA geeft een \(F\)-waarde en bijbehorende \(p\)-waarde. Deze interpreteer je aan de hand van het gekozen significantieniveau (\(\alpha\)).

Hoe werkt dit?

De eerste rij toont de variantie tussen groepen, en de tweede rij toont de variantie binnen groepen. De verhouding hiertussen bepaald de \(F\)-waarde.

De \(df_1\)-waarde voor de eerste rij wordt berekend door \(k - 1\), waar \(k\) het aantal groepen is, en de \(df_2\)-waarde voor de tweede rij wordt berekend door \(N - k\). Samen geeft dit te totale vrijheidsgraden \(N - 1\). Op basis hiervan wordt de \(F\)-waarde berekend:

\[MS_{\text{between}} = SS_{\text{between}} / df_1\]\[MS_{\text{within}} = SS_{\text{within}} / df_2\]

\[F = MS_{\text{between}} / MS_{\text{within}}\]

Als het verschil significant is, kan je ook de effectgrootte opvragen door onder \(\eta^2\) aan te vinken onder Estimates of effect size.

Hypotheses

\(H_0: \mu_1 = \mu_2 = \mu_3 ... \mu_n\) en \(H_A: \text{minstens één verschilt van de rest}\)

Voor de interpretatie van effectgroottes geldt binnen de sociale wetenschappen:

\(\eta^2\) interpretatie
\(0.01\) klein
\(0.09\) matig
\(0.24\) groot

De ANOVA laat zien aan dat een groep verschilt van de rest, maar vertelt niet welke groep (of groepen). Om dit te bepalen gebruik je een post-hoc toets of geplande contrasten.

Post-hoc toetsen

Bij een ongerichte hypothese gebruik je een post-hoc toets om te bepalen welke groepen van de rest verschillen. Je voert een post-hoc toets uit via Post Hoc Tests.

Hoe werkt dit?

Een post-hoc toets doet wél een twee-bij-twee vergelijking van alle groepen. Om kanskapitalisatie te voorkomen wordt er daarom gebruikt gemaakt van de Bonferroni-correctie. Daardoor neemt de power van de toets wel sterk af.

De post-hoc toets geeft een tabel met een \(p_{bonf}\)-waarde per twee-bij-twee vergelijking. Deze interpreteer je aan de hand van het gekozen significantieniveau (\(\alpha\)). Bij een gerichte hypothese controlleer je eerst de richting en halveer je vervolgens \(p_{bonf}\).

Geplande contrasten

Bij een gerichte hypothese gebruik je geplande contrasten. Je vergelijkt dan alleen specifieke groepen. Je hoeft daardoor niet alle groepen met elkaar te vergelijken, waardoor er geen kanskapitalisatie is, en dus ook geen Bonferroni-correctie nodig is. Daardoor is de power van geplande contrasten veel hoger dan bij een post-hoc toets.

Voor contrasten kies je bij Contrasts het type contrast. Er zijn drie soorten:

Als deze \(p\)-waarde van de ANOVA lager is dan het significantieniveau (\(\alpha\)) kan je de Contrasts tabel gebruiken om te zien welke contrasten significant zijn.

ANOVA voor herhaalde metingen

Een ANOVA voor herhaalde metingen gebruik je om een groep met zichzelf te vergelijken.

De manier waarop de data gestructureerd is verschilt bij dit type ANOVA:

Assumpties

Voordat je een ANOVA voor herhaalde metingen mag uitvoeren moeten eerst de voorwaarden gecheckt worden. Deze verschillen deels van die voor een standaard ANOVA.

Voorwaarden

De eis voor homoscedasticiteit (homogeniteit van variantie) is vervangen met sfericiteit (homogeniteit van variantie van verschilscores).

Je controlleert de sfericiteit met een Mauchly-test. Als de Mauchly-test significant is, is de sfericiteit geschonden (dus je wil dat deze niet significant is).

De ernst van de schending wordt aangegeven door de effectgrootte \(\epsilon\), met \(0 < \epsilon < 1\), waarbij \(\epsilon = 1\) volledige sfericiteit is. Aan de hand van \(\epsilon\) worden verschillende correcties toegepast:

Een ander soort correctie is de MANOVA, maar deze wordt niet behandeld bij TOE is is geen tentamenstof.

Analyse uitvoeren

Je voert een ANOVA voor herhaalde metingen uit via ANOVA Classical Repeated Measures ANOVA. Je sleept vervolgens de variabelen voor verschillende condities naar Repeated Measures Cells.

Je voert de Mauchly-test uit via Assumption Checks Sphericity tests. Je gebruikt de hoogste waarde voor \(\epsilon\) die in de resultatentabel staat. Als er een correctie nodig is kan je die ook onder Sphericity tests aanklikken.

Data-analyse (Bayesiaans)

Bij alle analyses tot nu toe heb je NHST gebruikt. Bij NHST maak je een dichotome beslissing over het al dan niet verwerpen van de nulhypothese, op basis van een \(p\)-waarde.

Een andere manier om hypotheses te toetsen is Bayesian Hypothesis Evaluation (BHE). Bij BHE is er geen \(p\)-waarde, maar een Bayes Factor (\(BF\)), die uitdrukt hoe goed een hypothese bij de data past (“fit”). Daarbij wordt ook de specificiteit van de hypothese meegenomen.

\(BF_{10}\) is het bewijs voor \(H_1\) tenopzichte van \(H_0\)
\(BF_{01}\) is het bewijs voor \(H_0\) tenopzichte van \(H_1\)
\[BF_{10} = \frac{1}{BF_{01}}\]

We bepalen de Bayes factor aan de hand van Posterior Model Probabilities (\(\text{PMP}\)). Die geven de fit weer als een factor, waarbij \(0 < \text{PMP} < 1\). Samen tellen ze op tot \(1\).

\[BF_{01} = \text{PMP}_0 / \text{PMP}_1\] \[BF_{10} = \text{PMP}_1 / \text{PMP}_0\] \[\text{PMP}_1 + \text{PMP}_0 = 1\]

Hoe verder de \(\text{PMP}\)’s uit elkaar liggen, hoe groter de \(BF\) wordt, hoe makkelijker dus de interpretatie van de resultaten.

Voorbeeld Bij een \(BF_{01} = 4\), geldt \(\text{PMP}_0 = 0.8\) en \(\text{PMP}_1 = 0.2\), want: \[BF_{01} = \text{PMP}_0 / \text{PMP}_1 = 0.8 / 0.2 = 4\] \[\text{PMP}_1 + \text{PMP}_0 = 0.2 + 0.8 = 1\]

Daarbij is \(\text{PMP}_0\) de kans op een conditionele type I fout: kiezen we \(H_1\), is \(\text{PMP}_0\) de kans dat we dat onterecht doen. Andersom is \(\text{PMP}_1\) de kans op een conditionele type II fout; kiezen we \(H_0\), is \(\text{PMP}_1\) de kans dat we dat onterecht doen.

Bij NHST nemen we de nulhypothese als uitgangspunt. Hebben we voldoende bewijs tegen, dan verwerpen we de nulhypothese. Bij BHE is de data het uitgangspunt, en kiezen we welke hypothese de beste fit heeft. Dit is genuanceerder, dus ook moeilijker te interpreteren.

Voorbeeldconclusie NHST Er is een significant verschil gevonden in groepsgemiddelden tussen de experimentele conditie en controlegroep, \(t(58) = 2.34, p = .023, d = 0.45\).
Voorbeeldconclusie BHE \(H_1\) kreeg \(1.67\) keer meer ondersteuning dan \(H_0\).

Bayesiaanse \(t\)-toets

Analyse uitvoeren

Je voert een Bayesiaanse \(t\)-toets uit via T-Tests Bayesian Indepentent Samples T-Test of Paired Samples T-Test. Je kiest dan bij Dependent Variables de afhankelijke variabele en bij Grouping Variable de onafhankelijke, en selecteert de alternatieve hypothese onder Alternative Hypothesis.

Resultaten interpreteren

De \(t\)-toets geeft \(BF_{01}\) en \(BF_{10}\), en bijbehorende \(\text{PMP}\)’s. Deze interpreteer je zoals hierboven.

Bain ANOVA

Je voert een Bayesiaanse ANOVA uit via Bain ANOVA ANOVA. Je kiest dan bij Dependent Variables de afhankelijke variabele en bij Fixed Factors de onafhankelijke.

Instellingen

Er zijn twee manieren om een ANOVA uit te voeren:

Bij Bain ANOVA is dit verschil minder groot. Er zijn altijd hypotheses; je kiest zelf om alleen de nulhypothese te toetsen (ongericht), of om ook alternatieve hypotheses te toetsen (gericht).

Let op! In een Bain ANOVA heet de nulhypothese \(H_1\) (omdat het de eerste hypothese is) niet \(H_0\)!

Je kan hypotheses invullen via Model Constraints. De nulhypothese is standaard al voor je ingevuld. Om de analyses opnieuw uit te voeren met de ingevulde hypotheses, doe je Command + Enter (MacOS) of Control + Enter (Windows of Linux).

De ingevulde hypotheses worden genummerd van \(H_0\) tot \(H_n\). Er worden daar nog twee hypotheses automatisch aan toegevoegd:

Je krijgt daarom twee \(BF\) waardes:

Andere waardes kan je berekenen door de \(BF_{.u}\) waardes voor hypotheses door elkaar te delen:

\[BF_{34} = BF_{3u} / BF_{4u}\]

Er zijn drie soorten \(\text{PMP}\)’s:

Data-analyse (kwalitatief)

In kwalitatief onderzoek wordt tekstuele data geanalyseerd aan de hand van codes. Dit gaat in twee stappen:

Er zijn drie soorten codes:

Welke analytische codes gebruikt worden hangt af van het type onderzoek:

Bij kwalitatief is een representatieve steekproef niet gewenst. Je wil juist een zo’n groot mogelijke verscheidenheid, om alle uitingsvormen te kunnen onderzoeken. Het doel is namelijk geen generaliseerbaarheid, maar een breed dekkend theoretisch model.

Daarom ga je expliciet op zoek naar negative cases (soort “uitschieters” of “outliers”): de gevallen die niet passen bij de voorlopige theorie.

Inductieve analyse

Bij een inductieve data-analyse maak je gebruik van grounded theory. Dat houdt in dat de theorie zich vormt uit de data. De codes bedenk je ook tijdens het coderen, wanneer je ze nodig hebt. Het codeerproces gaat in drie stappen:

Een fase wordt afgerond als theoretische saturatie bereikt is: nieuw data voegt geen nieuwe informatie meer toe. Dat betekent:

Gedurende dit hele proces is er constant comparison. Dat houdt in dat je bij elke actie naloopt of je geen dubbele codes introduceert, of codes niet moeten worden samengevoegt of juist uitgesplitst, en of de structuur nog klopt. Dit voorkomt dat de laatste data bepalend wordt.

Criteria voor codes Er zijn een aantal kenmerken waaraan codes moeten voldoen. We noemen dit de 3 C's:
Gerelateerde begrippen

Theoriegebruik (inductief)

flowchart BT
  D[Data]-- wordt gebruikt om te informeren over -->L[Theorie/literatuur]

Theoriegebruik (abductief)

flowchart BT
  D[Data]-- wordt gebruikt om te informeren over -->L[Theorie/literatuur]
  L-- maakt sensitief en vormt lens voor verzamelen van -->D

Deductieve analyse

Bij deductieve data-analyse maak je gebruik van een categorisatiematrix. Die bevat vooraf opgestelde thema’s, op basis van de theorie. Deze tabel wordt vervolgens per respondent ingevuld, en dan wordt deze vergeleken met de theorie. We noemen dit “de fit bepalen”.

Het kan zijn dat je tijdens de data-verwerking niet-passende data tegenkomt. Deze geef je dan tijdelijk een label. Je kan deze gebruiken om achteraf inductief thema’s toe te voegen aan de matrix, of gebruiken om de tekortkomingen van de matrix te documenteren in de discussie.

Theoriegebruik

flowchart TB
  L[Theorie/literatuur] --> V[Hypotheses opstellen]
  V --> D[Data]
  D --> T[Hypotheses toetsen]
  T --> V

Ethiek

Kwesties in kwalitatief onderzoek

Het kan zijn dat er bedoeld of onbedoeld gevoelige persoonlijke informatie wordt gedeeld in kwalitatief onderzoek. We kunnen deze kwesties opdelen in drie categorieën:

Kwestie Relevant? Onderzoeker wil weten? Respondent wil vertellen?
Pseudo-intimacy Ja Ja Nee
Undue intrusion Nee Ja Nee
Script deviation Nee Nee Ja

Perspectieven

Andere belangrijke afkortingen
Criteria voor rigoreus onderzoek